Meld je aan voor onze nieuwsbrief.

E-mailadres:

De nieuwsbrief wordt momenteel naar 1991 mensen verstuurd!


 
Recensies

Alan Davidson in de media

Planet Internet  Stichting Praemuim Erasmianum The Guardian   De Kookboekhandel Oxford Symposium Alan Davidson  R.A.M Special 6: Alan Davidson 

 

Planet.nl
Alan Davidson wint de Erasmusprijs 2003

De Erasmusprijs is dit jaar gewonnen door de culinaire expert Alan Davidson. Hij heeft een reeks opmerkelijke boeken over vis geschreven waarmee hij op wetenschappelijke wijze de interesse van een groot lezerspubliek heeft weten te wekken. Volgens de jury zijn door zijn boeken bij “velen de ogen geopend voor de veelvormigheid van onze eetculturen en het belang van voedselgeschiedenis”. De jury concludeert: “Door zijn werk kan Alan Davidson beschouwd worden als een gangmaker in de opwaardering van voedsel als een factor van culturele betekenis.”
Veelbewogen loopbaan
Alan Davidson werd in 1924 in Schotland geboren. Hij studeerde klassieke talen aan de universiteit van Oxford en diende in de Tweede Wereldoorlog in de Royal Naval Volunteer Reserve. Na de oorlog trad hij in dienst bij het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken waardoor hij de kans kreeg veel te reizen, onder andere naar Washington, Caďro, Tunis, Brussel en Den Haag. Tijdens de oorlog in Vietnam was hij de Britse ambassadeur in buurland Laos.
Davidson was ondertussen met een Amerikaanse getrouwd. In Tunis schreef hij voor haar een boekje over de locale visssoorten, waarmee zijn schrijverscarričre was geboren. Het boekje, dat eigenlijk alleen voor zijn Jane was bedoeld, groeide uit het onvolprezen naslagwerk Mediterranean Seafood en werd opgevolgd door Fish and Fish Dishes of Laos, Seafood of South-east Asia en North Atlantic Seafood. Midden jaren zeventig besloot hij de diplomatieke dienst te verlaten en zich helemaal toe te leggen op het schrijversvak. De kroon op zijn werk is het standaardwerk Oxford Companion to Food, waar hij 21 jaar aan heeft gewerkt.
Naast zijn schrijversschap is Davidson medeoprichter van het in 1979 gestarte culinaire tijdschrift Petits Propos Culinaires en het sinds 1981 jaarlijks terugkerende evenement de Oxford Symposium on Food & Cookery.
Als de naam Alan Davinson u bekend voorkomt, maar u toch zeker weet dat er bij u geen visboeken in de kookboekenkast staan, dan kan dat kloppen. In de jaren zeventig schreef hij een boek over de Navo dat door het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken werd verboden. Enkele jaren geleden is het boek alsnog uitgekomen.
Voor Davidson is de Erasmusprijs de bekroning van zijn culinaire schrijversloopbaan: hij werkt nu aan een serie essays over twaalf van de mooiste en beroemdste Hollywoodsterren uit de begintijd van de filmindustrie in Hollywood.
Rotte vis
Het is trouwens maar de vraag of het feit dat een visliefhebber de prestigeuze prijs wint, bij Erasmus in goede aarde zou zijn gevallen, de man hield niet van vis. Davidson haalde in zijn dankwoord een door Erasmus geschreven discussie tussen een slager en een visboer aan waarin de slager zegt: “Als je nu alleen maar het lichaam zou schaden, dan zou het te verdragen zijn, maar aangezien sommige soorten voedsel de geest bederven, bederf je de geest zelf. Kijk maar eens naar die vis-eters: zien die er niet als vis uit, bleek, stinkend, dom en stom?”
De Erasmusprijs, een bedrag van € 150.000, wordt jaarlijks uitgereikt aan een persoon of instelling die een voor Erupoa buitengewoon belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk gebied. Eerdere winnaars zijn onder andere spijkerbroekenmaker Claude Levi-Strauss (1973), filmsterren Charlie Chaplin en Ingmar Bergman (1965), nazi-jager Simon Wiesenthal (1992) en de hele Oostenrijkse bevolking in 1958.

Terug naar boven


Stichting Praemuim Erasmianum


Biografie
De Brit Alan Davidson, die zichzelf liever als een Schot ziet, is geboren in 1924. Hij studeerde klassieke talen aan Queens College Oxford en diende tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Royal Naval Volunteer Reserve.
In 1948 trad hij in dienst bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en werd uitgezonden naar verschillende buitenlandse posten, waaronder Washington, Den Haag, Cairo, Tunis, Brussel en Vientiane. Tijdens zijn verblijf in Tunis schreef hij, om zijn Amerikaanse vrouw Jane en andere Engelstaligen te helpen, een boekje over de locale vissoorten en andere zeevruchten. Dit werd later (1972) het Penguin boek Mediterranean Seafood en maakte dat hij de genoegens smaakte van het schrijverschap. Deze smaak was voldoende om hem over te halen om, werkzaam als Brits ambassadeur in Laos midden jaren ’70, een boek te schrijven over Fish and Fish Dishes of Laos en om een begin te maken met andere boeken zoals Seafood of South-east Asia en North Atlantic Seafood. Op dat moment besloot hij de diplomatieke dienst te verlaten en fulltime schrijver, en uitgever, te worden. Deze nieuwe literaire carričre, die hij in 1967 begon, duurt nog steeds voort en heeft een continu verloop gekregen door zijn nauwgezette samenstelling van de Oxford Companion to Food gedurende 21 jaar van 1978 tot 1999. Dit magnum opus inspireerde hem tot talrijke andere activiteiten gevoed door een bredere belangstelling voor voedsel en voedselgeschiedenis. In 1979 behoorden zijn vrouw en hij tot de oprichters van een excentriek tijdschrift over de geschiedenis van voedsel, PPC (Petits Propos Culinaires), dat zij hebben geleid en uitgegeven tot en met het laatste nummer van het tweede millennium.
In 1981 was Davidson mede-oprichter van het jaarlijkse Oxford Symposium on Food History, waarvan hij tot 2001 samen met Theodore Zeldin het voorzitterschap bekleedde.
Hoewel hij voornamelijk over voedsel heeft geschreven, is zijn favoriete boek een roman over de NAVO die hij rond 1970 schreef toen hij bij het NAVO hoofdkwartier werkte. Het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken verbood de uitgave. Hij liet hem echter clandestien en anoniem drukken, maar onlangs is het boek openlijk heruitgegeven.
60 jaar nadat hij betoverd werd door de heldinnen van de malle Hollywood comedies, begon Alan Davidson met een serie essays waarin hij eer wilde betuigen aan deze mooie, chique en geestige sterren uit de gouden jaren van het witte doek.
Alan Davidson overleed onverwacht op 2 december 2003.

1972 Glenfiddich gold medal: Mediterranean Seafood
1979 Glenfiddich gold medal: North Atlantic Seafood
1999 Crystal Whisk Award: The Oxford Companion to Food
2000 James Beard Award: The Oxford Companion to Food
Bibliografie
Davidson, A., Mediterranean Seafood, 1972, 1981, 1987
(Nederlandse vertaling: Mediterraan Viskookboek, 2003)
Davidson, A., Something Quite Big, (Samizdat version 1974), 1993
Davidson, A., Fish and Fish Dishes of Laos, 1975, 2002/3
Davidson, A., Seafood of South-East Asia, 1977, 1978
Davidson, A. and Jane Davidson, Dumas on Food, 1978, 1979, 1987
Davidson, A., North Atlantic Seafood, London 1979, 1980, 1986, 1989
(Nederlandse vertaling: Noord-Atlantisch Viskookboek, 2001)
Davidson, A., On Fasting and Feasting (anthology), 1988
Davidson, A. and Charlotte Knox, Seafood: A Connoisseur’s Guide and Cookbook, London 1989
Davidson, A., A Kipper With My Tea: Selected Food Essays, 1989, 1999
Davidson, A. and Charlotte Knox, Seafood, London 1989
Davidson, A. and Charlotte Knox, Fruit, London 1991
Davidson, A., The Tio Pepe Guide to the Seafood of Spain & Portugal, Jerez 1992
Davidson, A., The Oxford Companion to Food, 1999 - The Penguin Companion to Food, 2002
Davidson, A. and Helen Saberi, Trifle, 2001
Davidson, A. ed., The Wilder Shores of Gastronomy, 2002 
 
Laudatio
Uitgesproken door A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter Stichting Praemium Erasmianum
Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellentie, dames en heren,
Het is me een grote eer en een genoegen u hier toe te spreken uit naam van de regent van onze stichting, Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. Wij zijn zeer verheugd, Koninklijke Hoogheid, dat u bereid bent om ook dit jaar weer, als vanouds, de prijs uit te reiken.
Voedsel is een cultureel fenomeen van groeiend belang. Duidelijk is te zien hoe dat zich verbreidt op academisch, politiek en cultureel vlak: Het onderzoekscentrum voor de geschiedenis van voeding en drank aan de Universiteit van Adelaide in Zuid-Australië biedt on-line studieprogramma’s aan die opleiden tot een Masters graad in voedsel. De Raad van Europa in Straatsburg bereidt een publicatie voor over de eetculturen van de 48 staten die deel uitmaken van de Europese Culturele Conventie. De Franse overheid zet een instituut voor wetenschappelijk onderzoek op in Reims, waar studenten zullen worden opgeleid in de kunsten van de tafel of Franse culinaire geschiedenis. Vorige week vond er een internationaal symposium plaats over voeding en emotie in Zuid-Aziatische literatuur aan de Universiteit van Londen.
Dit zijn slechts een paar voorbeelden. Ze getuigen van de grote opleving van de belangstelling voor de geschiedenis en cultuur van onze voeding de afgelopen jaren.

Voedsel - dames en heren - voedsel, voeding en onze eetculturen vormen het centrale thema van de Erasmusprijs dit jaar.
’We ontmoeten de wereld op ons bord. Elk ingrediënt van ons verleden en ons heden kan aan onze recepten afgelezen worden: onze identiteit, onze relatie tot andere diersoorten, onze maatschappelijke status, zelfs de positie van onze samenleving in de wereld. Voeding is een culturele indicator’ (*).
Niet alleen is voedsel op zichzelf een indicator van een cultuur, ook het menselijk gedrag aan de eettafel is wel beschouwd als een indicatie van een bepaald stadium van beschaving. Ik verwijs naar het beroemde werk van Norbert Elias over het civilisatieproces, dat een grote hoeveelheid literatuur citeert over eetgedrag. Toevalligerwijs is het onze naamgever Erasmus, wiens werk waardevolle bronnen voor eetgewoonten in de vroege 16de eeuw bevat. Hoewel Erasmus een verfijnde smaak had voor eten en drinken, en hoog opgaf over een goede maaltijd met vrienden, was voedsel op zichzelf nooit het onderwerp van zijn verhandelingen. Wat we wel vinden echter, zijn educatieve instructies voor het grootbrengen van jongeren in zijn De civilitate morum puerilium, inclusief instructies over tafelmanieren.
Voeding en eetgewoonten zijn onafscheidelijk van overige cultuur: zij staan in directe relatie tot godsdienst, moraal en geneeskunde. Mensen hebben altijd betekenis willen geven aan eten. Eetgewoonten zijn ook verbonden met spirituele opvattingen over diëten die de ’ziel voeden’ en met het soort seculiere idealen als gezondheid, schoonheid en fitness. Zelfs gezondheidsfetisjisten of andere hedendaagse gelovigen die eten voor schoonheid of denkkracht of sex-drive of rust of spiritualiteit, maken deel uit van het fenomeen, namelijk de drang om betekenis toe te schrijven aan eten, in dit geval door aan voeding een transcendent effect toe te kennen (*).
Het is een cliché om te benadrukken dat we zijn wat we eten. Maar de vraag wat voor voedsel welk deel van ons lichaam precies beďnvloedt, blijft interessant; zeker als we denken aan dat orgaan dat ons in evolutionaire zin zo frappant onderscheidt van de mensapen, namelijk onze relatief grote hersenen. Momenteel stellen wetenschappers uit verschillende disciplines zich de vraag welke rol voedsel en eetgedrag speelde in de evolutie van de hersenen in vroege mensachtigen. Dit komt aan de orde in een internationaal symposium dat we deze week organiseren.
’Voeding is culturele lakmoes - tenminste in dezelfde mate als taal en godsdienst. Het identificeert, en differentieert daarom noodzakelijkerwijs. Leden van culturele gemeenschappen herkennen elkaar aan wat zij eten’(*). Immigrantengemeenschappen houden vast aan hun eetculturen en zetten hun eigen markten en winkels op om hun voorkeursgerechten te kunnen kopen, een toestand die bijvoorbeeld mooi beschreven wordt door Claudia Roden in haar inleiding tot de Joodse keuken. ’Alhoewel voedselfanaten alom aanwezig zijn, en hoewel adverteerders een rage kunnen veroorzaken, is eetcultuur doorgaans behoudend. Barričres tegen het eten over culturele grenzen heen zijn al eeuwen oud en zijn diep geworteld in de individuele psychologie. Het is lastig om persoonlijke smaak te modificeren (*). Toch is er een andere zijde van die munt. Terwijl namelijk enerzijds voedselcultuur conservatief is en niet zo eenvoudig tussen culturen te communiceren, is het aan de andere kant zeer internationaal. We eten niet alleen een haute cuisine die zichzelf ’fusion’ noemt en internationaal, we eten ook in een gemondialiseerde wereld waar gerechten en ingrediënten met geestdrift uitgewisseld worden van de ene kant van de wereld naar de andere (*). ’McDonaldizering’ wordt weerspiegeld door wereldveroveringen die in Italië beginnen met pizza en pasta, Mexico met taco’s, China met loempia’s en India met kerries en pappadum. In feite ’is er geen intrigerender probleem in de voedselgeschiedenis dan de vraag hoe culturele barričres tegen de overdracht van voedsel zijn doorbroken of geslecht.’(*) Dit is overigens een thema dat aan de orde zal komen tijdens een workshop die wij vanmiddag organiseren.
Het is een open deur om te stellen dat voedsel en eetgewoonten over de gehele wereld naar elkaar toegroeien en steeds meer op elkaar gaan lijken. Coca-cola wordt al lang overal gedronken in landen waar de culturen zo verschillend zijn als men zich maar kan indenken. Amerikaanse voedselketens, onder aanvoering van McDonald’s, hebben een ongeveer net zo grote alomtegenwoordigheid bereikt. Enkele onderscheidende verschillen zijn op hun kop gezet: onder de Duitsers, die ooit buitengewoon grote hoeveelheden vlees aten, zijn nu eerder vegetariërs te vinden dan onder de Fransen. Hetzelfde geldt voor de Engelsen. Maar ook deze omkeringen zijn geworteld in de geschiedenis van elke natie. Zowel in Europa als elders zijn traditionele verschillen in eetgedrag extreem hardnekkig (**).
’Ook op het gebied van koken en opdienen en tafelmanieren gaat dit verhaal op. Traditionele eetpatronen zijn niet dood en begraven. De sociale functie van samen de maaltijd gebruiken is nog belangrijk. Eetrituelen variëren enorm. Hoe eenvoudig ook, bijvoorbeeld bij een snack onder vrienden, er is altijd een beetje meer ceremonie, een beetje meer conversatie, ietsje meer sociale uitwisseling dan wat je ziet rond een zak popcorn in een Amerikaans voetbalstadion of in de woonkamer op de bank voor de televisie. Al worden consumptiepatronen in toenemende mate gelijk, er blijven belangrijke verschillen. De trend naar een meer homogeen gedrag veroorzaakt bij de mensen een reactie in die zin dat ze een sterke gehechtheid ontwikkelen aan hun eigen identiteit. Overal waar men probeert identiteiten te normaliseren en te universaliseren, is de reactie altijd sterk geweest. Dat zien we zowel in de politiek als in voedselaangelegenheden. Nationale keukens worden herontdekt en lokale tradities nieuw leven ingeblazen. Regionale keukens zijn tegenwoordig onderdeel van het nationale culturele erfgoed en mensen zijn zich daarvan waarschijnlijk nu meer bewust dan vroeger. De voedselindustrie, die verantwoordelijk is voor de mondialisering van eetgewoonten, is paradoxaal genoeg, snel erbij om deze trend te volgen. Zij verpakt datgene wat vroeger alleen geschikt werd bevonden voor de armen als de laatste mode in elegant dineren. In feite is het benadrukken van regionale verschillen en het willen behouden van culturele identiteit niet achterlijk of reactionair. Zo’n pluriformiteit in eettradities kunnen we alleen maar koesteren. Maar laten we vooral niet vergeten dat voedseltradities niet voor eeuwig en altijd gefixeerd zijn. Zij worden geschapen, gevormd en gedefinieerd gedurende een lange periode dat culturen met elkaar in contact komen of botsen, en elkaar beďnvloeden of absorberen. Elke cultuur is ’besmet’ door andere culturen. Elke traditie is een voortbrengsel van de geschiedenis, en geschiedenis is nooit statisch. Er bestaan geen louter regionale keukens die niet beďnvloed worden door producten van buiten de regio. Tegenwoordig reizen mensen en hun voedsel sneller dan ooit tevoren’(**). Dat gebeurt niet snel en efficiënt genoeg om honger en hongerdood in delen van de wereld te voorkomen. Des te meer vormt dit een uitdaging voor onze generatie om op een verantwoorde manier om te gaan met die relatie tussen verleden en heden, traditie en verandering, tussen het lokale en het globale.
Wanneer wij zulke waarnemingen citeren, gemaakt door eminente hooggeleerden in de cultuurgeschiedenis, en wanneer we de prestaties op dit gebied willen onderstrepen, dan zijn wij ons er volledig van bewust, geachte heer Davidson, dat wij voor de nieuwe waardering van de studie van voedsel en eten veel aan uw inspanningen te danken hebben. Uw boeken over vis en zeevoedsel zijn niet de gebruikelijke kookboeken met recepten en kleurenfoto’s. Ze worden tegenwoordig beschouwd als klassieken van de moderne culinaire literatuur. Zij bevatten catalogi van vis en schelpdieren, recepten uit de literatuur en eigen ervaring, een massa informatie, gepresenteerd met een grondige kennis van de verschillende culturele contexten en een subtiel gevoel voor humor. Geen wonder dat deze boeken herdrukt worden en vertaald zijn in verschillende talen. Uw werk, dat begon als een viscatalogus met plaatselijke namen van vis in Noord-Afrika, en dat culmineerde in de gewichtige Oxford Companion to Food, is een grote stimulans geweest voor al diegenen die dat kleine beetje extra belangstelling koesteren voor voedsel, meer dan het gemiddelde individu dat alleen een smaak heeft voor gastronomie.
In een tijd dat op het gebied van de gastronomie over het algemeen triviale onzin op glanzend papier werd gepubliceerd, begon u in 1979, samen met uw vrouw Jane, het tijdschrift Petits Propos Culinaires. Dit was een vernieuwing en een voorbeeldig podium voor het soort van plezierige en geleerde artikelen over voedsel en eettradities dat uw kenmerk is geworden.
Dankzij uw enthousiasme werd de uitgeverij Prospect Books opgericht, aanvankelijk gesitueerd in een bezemkast onder de trap in uw huis. Indien u minder naďef was geweest met betrekking tot de fondsen die voor zo’n onderneming nodig waren, dan hadden we die serie waarschijnlijk niet gehad. Gelukkig is deze droom verwezenlijkt en uitgegroeid in een lijst van meer dan 60 boektitels, waaronder herdrukken van vroege kookboeken, bibliografieën, studies van minder bekende keukens en de Proceedings van de Oxford Symposia on Food.
De Oxford Symposia on Food, waarvan u medeorganisator bent geweest, zijn een inspirerende bron geweest voor wetenschappers, publicisten en liefhebbers uit de gehele wereld. Deze bijeenkomsten hadden een breed scala aan thema’s op het gebied van voeding en voedselgeschiedenis en de sociale implicaties ervan. Ze zijn begonnen als kleinschalige, informele bijeenkomsten, en hebben uiteindelijk bijgedragen aan de vorming van een waarlijk interdisciplinair netwerk van voedselonderzoekers.
Door uw persoonlijke benadering van de studie van voedsel, tegelijk ernstig en speels, bent u een bron van inspiratie geweest voor al diegenen die voedsel beschouwen als hun invalshoek op de studie van cultuur. Uw echtgenote heeft voor een groot gedeelte uw belangstelling gedeeld en heeft nauw met u samengewerkt. Ik wil daarom u, mevrouw Davidson, graag laten delen in mijn gelukwensen.
Het lijkt me gepast om mijn toespraak te eindigen met een citaat van Dan Hofstadter in de New Yorker van 1987, waarin hij met verbazing en ontzag het type voedselspecialisten als u en andere auteurs in Petits Propos Culinaires typeert als: ’Duidelijk zijn deze mensen geen zonderlingen maar welwillende fanaten, en nog innemend ook.’ Aan deze toegewijdheid, zeer geachte heer Davidson, heeft u de Erasmusprijs te danken en ik feliciteer u daarmee van ganser harte.
Mag ik nu de regent, ZKH Prins Bernhard, en de heer Alan Davidson vragen naar voren te treden voor de uitreiking van de prijs.

Bronnen
*) F. Fernandez-Armesto, 2001. Food, a History.
**) J.L. Flandrin & M. Montanari, 1999. Food, a Culinary History.

Gronden van Verlening
Artikel 2 van de Statuten van de Stichting Praemium Erasmianum luidt als volgt:
Het doel van de Stichting is, binnen de context van de culturele tradities van Europa in het algemeen en het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de geestes- en maatschappijwetenschappen en de kunsten te bevorderen en de positie van deze gebieden in de maatschappij te versterken. De nadruk ligt hierbij op tolerantie, cultureel pluralisme en ondogmatisch, kritisch denken. De Stichting streeft ernaar dit doel te bereiken door het toekennen van prijzen en andere manieren; een geldprijs wordt toegekend aan een persoon of instelling onder de naam Erasmusprijs.
In overeenstemming met dit artikel heeft Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden, Regent van de Stichting Praemium Erasmianum het besluit van het bestuur van de Stichting bekrachtigd om de Erasmusprijs voor het jaar 2003 toe te kennen aan Alan Davidson.
De prijs wordt toegekend aan de heer Davidson op de volgende gronden:
Door zijn persoonlijke benadering tot de studie van voedsel, heeft Davidson een breed lezerspubliek bereikt en velen de ogen geopend voor de veelvormigheid van onze eetculturen en het belang van voedselgeschiedenis.
Als auteur van uitzonderlijke boeken over vis, paart Alan Davidson wetenschappelijke grondigheid, eruditie en een aanstekelijk enthousiasme aan een heldere schrijfstijl.
Samen met zijn echtgenote Jane, heeft Alan Davidson het tijdschrift Petits Propos Culinaires opgericht, een tijdschrift dat uitgegroeid is tot een invloedrijke bron voor de studie van de geschiedenis van voedsel.
Met het initiëren, samen met Theodore Zeldin, van het Oxford Symposium on Food, heeft Davidson een internationaal forum geschapen voor zowel professionele als amateur voedselhistorici, en daarmee een sterke stimulans gegeven aan de studie van voedsel in zijn culturele context.
Zijn levenswerk is belichaamd in de gezaghebbende Oxford Companion to Food, een degelijk referentiewerk, dat voor jaren de standaard zal zijn.
Concluderend: Door zijn werk kan Alan Davidson beschouwd worden als een gangmaker in de opwaardering van voedsel als een factor van culturele betekenis.
Dankwoord
Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellentie, bestuursleden van de Stichting Praemium Erasmianum, en zeer geacht gezelschap hier bijeen, het zal u niet verrassen te horen dat de toekenning van de Erasmusprijs 2003 voor mij de grootst mogelijke eer betekent die bewezen kan worden ter onderscheiding van de 30 jaar die ik gewerkt heb op het gebied van de voedselgeschiedenis.
Van de drie loopbanen die ik gevolgd heb, eindigde die bij de Koninklijke Marine met een dankbrief van iemand in de admiraliteit, beleefd maar niet opwekkend. Mijn carričre als diplomaat kwam tot een einde met een andere brief, weer beleefd en complimenteus, maar minder dan opwekkend, van de afdeling personeelszaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Nu, in mijn derde loopbaan als schrijver en uitgever, heb ik het er veel beter van af gebracht. Hoewel ik een aantal belangrijke literaire prijzen heb gewonnen, is er in mijn ervaring niets dat op afstand vergelijkbaar is met de huidige onderscheiding. Ik zie deze als de best mogelijke finale van drie decennia van vlijtig maar aangenaam werk. Ik zeg ’finale’, niet omdat ik voedselgeschiedenis opgeef; het zal altijd een vaste plaats hebben in mijn genegenheid en veel ruimte innemen op mijn bureau en boekenplanken. Nee, de reden is dat, naarmate ik mijn 80ste verjaardag nader, mijn eigen periode van pionierswerk en grote projecten op dit gebied tot een einde is gekomen. Vanaf volgend jaar zal het schrijfwerk dat ik doe, behalve aan revisies en aanvullingen op The Oxford Companion to Food, geconcentreerd zijn op een ander, meer frivool onderwerp, namelijk de filmheldinnen van het Hollywood van de 30er en 40er jaren.
Zodoende kon de eer die mij vandaag betoond wordt, en waarvoor ik de Stichting van harte dank, niet op een gepaster ogenblik komen. Datzelfde gaat op, als je dit eerbetoon beschouwt - zoals ik nadrukkelijk doe - als een eer aan de gehele groep van voedselhistorici, die mijn collega’s zijn geweest gedurende deze 30 jaar. In het essay dat de Stichting zo vriendelijk is geweest uit te geven bij deze gelegenheid, heb ik geprobeerd uit te leggen waarom het voedselgeschiedenis tot dusver heeft ontbroken aan het soort academische en officiële erkenning die het verdient. Nu, door haar fantasierijke actie van vandaag, heeft de Stichting er alles aan gedaan om deze situatie te verbeteren en voedselgeschiedenis te bekleden met de status en het respect dat het daarvoor moest missen. Het effect zal duurzaam zijn; en de tijd was rijp, want de bloei van voedsel studies in recente decennia is zodanig geweest dat het de hoogste erkenning verdient. Het is natuurlijk niet uitsluitend de studie van voedselgeschiedenis persé die profiteert, maar al die talrijke soorten van voedselstudies waarmee zo veel verschillende mensen bezig zijn. Voedsel is, om een open deur te gebruiken, van fundamenteel belang voor alle mensen en verdient een centrale plaats in het werk van biologen, voedingsdeskundigen, antropologen, sociologen, archeologen, economen en historici, en dan tellen we daarbij nog niet eens de boeren, fruittelers, vissers en de miljarden voor wie koken een dagelijkse activiteit is. Dat deze centrale positie en deze verbindingen dikwijls over het hoofd gezien zijn, weerspiegelt een bekende menselijke neiging, namelijk door de bomen het bos niet meer zien.
Hoe passend is het dat nu een corrigerende actie wordt ondernomen onder de aegis van Erasmus, die de wereld met een brede blik bezag en met grote helderheid. Let wel, deze helderheid is een enkele keer wellicht wat overschaduwd. Veel van mijn werk gaat over vis en zeevoedsel en ik ben mij ervan bewust, door zijn colloquium ’betreffende het eten van vis’, dat hij zelf niet om vis gaf en ook niet wenste dat anderen vis zouden eten. Uit de dialoog tussen een visboer en een slager - het thema van dit colloquium - komt de slager als winnaar te voorschijn. Diens retoriek is overweldigend krachtig, bijvoorbeeld wanneer hij de visboeren als volgt voor rotte vis uitmaakt: ’Als je nu alleen maar het lichaam zou schaden, dan zou het te verdragen zijn, maar aangezien sommige soorten voedsel de geest bederven, bederf je de geest zelf. Kijk maar eens naar die viseters: zien die er niet als vis uit, bleek, stinkend, dom en stom?’
Deze afkeuring zou ons als onverklaarbaar extreem voorkomen als we ons niet bewust waren van de context (Erasmus’ oppositie tegen het vasten, de dagen waarop volgens de Rooms-Katholieke Kerk vis werd gegeten) en van de humoristische overdrijving waarmee dit colloquium vol zit. Het vormt geen echte afwijking van Erasmus’ sterke geloof dat hoffelijkheid noodzakelijk is voor een effectieve discussie, een overtuiging die ik deel.
In elk geval, terwijl er zaken zijn waarop ik met Erasmus van mening verschil, wil ik toch graag denken dat er verschillende andere verbindingen tussen ons bestaan. Een daarvan is dat hij enige tijd in Nederland leefde, net als ik met mijn familie. Terugblikkend, lijken de jaren die wij in Den Haag doorbrachten een Gouden Eeuw. Een andere is dat hij een humanist was en ik er een ben. De derde is misschien niet belangrijk maar geeft me wel plezier. Een paar honderd meter van mijn huis en werkplek in Chelsea in Londen stond het huis van de Engelse theoloog Sir Thomas More, aan de oever van de rivier de Thames. De bezoeken die Erasmus hem bracht in 1499 en latere jaren waren voor beide mannen van grote betekenis. Het zou heel vreemd geweest zijn indien zij niet af en toe een pauze hadden genomen tussen hun spirituele discussies en dan een wandeling langs de Thames gemaakt hadden. Deze wandeling zou hen opmerkelijk dichtbij de plek gebracht hebben waar ik mijn dankrede zat te componeren.
Voor ik eindig, zou ik een van de goede doelen willen noemen waar ik van plan ben om een deel van het genereuze prijsgeld aan te besteden. Dit is het Sophie Coe Memorial Fund, dat een jaarlijkse prijs en andere beloningen uitgeeft voor bijzonder goede essays over voedselgeschiedenis. Dit is in 1995 opgezet om een zeer geliefd en getalenteerd voedselhistorica te gedenken. Het heeft zijn doeltreffendheid al bewezen door anderen aan te moedigen, in het bijzonder jongere onderzoekers, om hun onderzoeksresultaten op te schrijven. Mijn vrouw en ik zijn nauw betrokken geweest bij het oprichten van dat fonds en we hebben ervoor gezorgd dat het zonder kosten, door liefhebbers, geadministreerd zou worden, dus we zijn er zeer op gebrand dit verder te ondersteunen.
Ik sluit af met een algemene uitdrukking van mijn dank aan allen die mij geholpen hebben en die naast mij en met mij hebben gewerkt, daarbij inbegrepen vele mensen die hier nu aanwezig zijn, niet in de laatste plaats mijn vrouw Jane en mijn drie dochters. Ik hoop dat zij en al die anderen zullen voelen dat de prijs op hen net zo afstraalt als op mijzelf.

Stichting Praemium Erasmianum

Terug naar boven

The Guardian 
Tom Jaine
Thursday December 4, 2003

Alan Davidson, who has died aged 79, was an engaging polymath in all matters of food. A writer of distinction, he was not just interested in cookery, but also its lore, ethnography and history, as well as the taxonomy of edible species.
He used his postings as a diplomat with the Foreign Office as an opportunity to unearth the culinary secrets of the places he visited, resulting in many place-specific books - often centred on his passion for fish - from his Mediterranean Seafood (1972) to Seafood Of South East Asia (1979).
The son of a tax inspector and proud of his Scottish forebears, he was born in Northern Ireland and educated at Leeds grammar school and Queen’s College, Oxford, where he took a double first in classics. His time at university was interrupted by military service in the Royal Naval Volunteer Reserve from 1943 to 1946, first as an ordinary seaman, later a lieutenant, in the Pacific, the North Atlantic and the Mediterranean. He somewhat shamefacedly recalled slicing a whale in two when officer of the watch aboard the aircraft carrier Formidable. Perhaps his books were a penance for this accident.
A man of his qualifications was a perfect match for the Foreign Office, which he joined in 1948. His career took in Washington (1950-53), The Hague (1953-55), Cairo (1959-61), Tunis (1962-64), Brussels (where he was head of chancery of the British delegation to Nato, 1968-71) and, finally, Laos, where he was ambassador (1973-75). These postings were interspersed with stints as a "Whitehall warrior" on various desks at the Foreign Office in London. During his time in Washington, he met and married Jane Macatee, the daughter of an American diplomat. Having a foreign wife (even from a friendly power) set a British diplomat apart - Davidson was ever distinctive.
He decided to retire from the Foreign Office long before his time was up. He put that down to strong pressure from his wife and three daughters - to whom he was touchingly devoted and with whom he maintained a lifelong dialogue on rights and wrongs, little or big. They feared "he would become insufferably pompous if he had another ambassadorial post". He also ascribed the move to irritation with life behind a desk when confined to Whitehall; and to the siren call of a new vocation, to be a writer.
Not long ashore in 1946, he had sent a piece to Punch (its humour deprecatory) and, while at Oxford, had written several articles for Oxford Viewpoint - one of which earned him the comment "delightful" from Evelyn Waugh. His opportunity did not arrive until he was head of chancery in Tunis in 1961. His wife was understandably muddled by the various names proffered for one sort of fish or another in the local markets, and he promised to compile a list. He was fortunate in the arrival of the Italian professor Giorgio Bini, the world’s greatest living authority on seafish in the Mediterranean, as part of an official delegation to discuss the dynamiting of their catch by Sicilian fishermen in the Gulf of Tunis. As the negotiations were long and largely political, Bini (no politician) was able to instruct the Briton in elementary ichthyology. Out of these lessons, Seafish Of Tunisia And The Central Mediterranean was born. Published by Davidson himself in 1963, it was followed the next year by Snakes And Scorpions Found In The Land Of Tunisia. At that stage, his passion seemed to be for taxonomy, not fish dinners.
A colleague, who had known the food writer Elizabeth David when she was working in wartime Cairo, sent her a copy of the fish book, and she reviewed it in her column for the Spectator. From this first contact flowed the process of its conversion from pamphlet to the full-blown work Mediterranean Seafood, published by Penguin in 1972. Elizabeth David, ever watchful of professional values, had advised the diplomat to avoid self-publication and had recommended him to her editor at Penguin, Jill Norman. These relationships were to be fruitful, both for later books on fish and food, and in the genesis of Davidson’s publishing house Prospect Books in 1979 and its journal of food studies Petits Propos Culinaires, edited and published by Davidson until 2000.
Once he had embarked on a career as a writer, diplomacy did not lose him, but books kept appearing. While part of the British delegation to Nato in Brussels - a posting mired in international protocol - he buoyed the spirits by composing a thriller of quixotic inventiveness called Something Quite Big. It revolved around the mass kidnap of the alliance’s heads of mission by wholly admirable eco-terrorists led by a most gorgeous and purposive heroine (he was always impressed by beautiful women). Its climax saw the diplomats released, wending their way to safety on bicycles (the book contained much incidental lore on the history of cycling - Belgium’s gift to humanity was the bicycle chain).
This happy book did not occasion smiles in Whitehall. Permission to publish was refused for the sake of preserving official secrets: more likely for his sense of the ridiculous. He purged his frustration with the less alluring The Role Of TheUncommitted European Countries In East-West Relations, which was the outcome of a visiting fellowship at Sussex University in 1971-72, before he was posted to Laos the following year.
As he navigated the streets of the elegant capital, Vientiane, in his stately Bentley, the new ambassador was witness to the final days of the uneasy coalition between the royal dynasty and the Pathet Lao communist insurgents. When Vietnam and Cambodia fell to the communists, so they assumed control of Laos. A diaspora ensued, and the illustrations in many of Davidson’s books by the Lao artist Soun Vannithone - now based in London - are one happy consequence.
With Mediterranean Seafood now published, he deemed a literal reading of the Foreign Office’s prohibition of Something Quite Big to allow private circulation - so had it printed, with many errors, by a Catholic priest in the back streets of Bangkok. Curiosity about Laos and its culture resulted in his unearthing a cookery text used in royal circles. This was to become Traditional Recipes Of Laos (1981). His investigations into fish in the Mekong and other inland waters were published as Fish And Fish Dishes Of Laos (1975). His interests made the politics more pleasing. An especially turgid, yet delicate, negotiation with the Pathet Lao was transformed by his queries about snakehead fish that swim in the rice paddies, unstopping a happy vein of reminiscence from the opposition leader.
His sojourn in Laos produced one more book, Seafood Of South East Asia. It was also the finish of his official duties, with the graceful golden handshake of a short fellowship at St Antony’s College, Oxford.
The first years of retirement saw a flurry of work, from a translation and abridgement (in partnership with his wife) of Alexandre Dumas’ encyclopedia of food - Dumas On Food (1978), to the publication of his North Atlantic Seafood (1979), to putting in place, in 1978, a deal with Oxford University Press to commence his magnum opus, The Oxford Companion To Food, not to see the light until 1999.
He was working at a time when there was a growing eagerness for writing about food and cookery that went beyond the simple recipes for weekend magazines. There was a hunger for fine writing and additions to knowledge that did not indulge the bibulous fatuities of gourmets and gastronomes. He never could abide Brillat-Savarin and the panoply of theory around simple issues of hunger and pleasure erected by the French in the 19th century, and blenched at pretension. His mindset was questing pragmatism, leavened by surreal, puckish humour. His dislike of snobbery underlay his wish to return his CMG (awarded in 1975, but unrecorded in his Who’s Who entry).
People of a like mind purchased the reprinted classics of the kitchen shelf that he began to issue under the imprint of Prospect Books from 1982 onwards, as well as the original titles about Tibetan, Indonesian or Majorcan food, and a wider public still was to applaud his handsome edition of Patience Gray’s timeless contemplation of Mediterranean life and its relation to food and cookery, Honey From A Weed, first published in 1986. Prospect Books and its associated journal (where you could discover anything from the history of ice-cream to the niceties of Thai funeral cookbooks) were to swallow much time, too much indeed for speedy completion of the Companion. So, too, were the annual gatherings of food enthusiasts (he was careful always to call them "semi-academic"; he disliked arid scholarship almost as much as gastronomy) at St Antony’s College that he organised with the historian of 19th and 20th-century France, Theodore Zeldin. It was a conference with a character all its own, slightly chaotic, a colourful group of egoists happy, for once, to listen to others, though often happier to criticise.
These activities on behalf of others made Alan and Jane’s house in Chelsea an international caravanserai of scholar-cooks, many contributing his or her tithe of knowledge to the slowly accumulating Companion. Progress never had a disciplined air until his indefatigable assistant Helen Saberi imposed calm order. It was also held up by a serious heart attack in the early 1990s - this contributed to his dropping Prospect Books, which I took over in 1993 (my first title was his Something Quite Big, with fewer misprints).
The Companion appeared at the end of the millennium to just acclaim, and gained every prize going for food writing. More than a million words, mostly his own, displayed wit, humanity, curiosity and knowledge in equal measure. He eschewed the anthropology or sociology of cookery, and indeed the Byzantine ramifications of haute cuisine, for a delight in describing the most arcane ingredients or the complex lineage of food customs, recipes and techniques.
When the Companion was completed, there were many signs that he had had enough of food writing and wished only to turn to his new preoccupation: Hollywood filmstars of the 1930s and 1940s. My daughter spent many hours helping install the best video software to record film clips; and earlier this year she guided him through the streets of Los Angeles in search of film libraries. The lure of the movies did not stop him, however, from issuing one last book, on trifle (with Helen Saberi) and from supervising the republication of his three great seafood books, both here and in the United States.
Alan will be remembered for his charm, which was rarely used knowingly; his innocence, which engendered a constant public optimism; his stubborn itch for accuracy, perhaps encouraged by diplomatic training; and his handsome daily turnout in gay but never garish clothing (an affection for silks and American checks), complete with impressive shopping bag, or even three.
He is survived by his wife and daughters. 

 Alan Eaton Davidson, diplomat and food writer, born March 30 1924; died December 2 2003

Terug naar boven


De Kookboekhandel
In Memoriam - Alan Davidson 1924-2003


"Dit is de bekroning op mijn culinaire werk", zei Alan Davidson bij de uitreiking van de Erasmusprijs, "het is ook de afronding, ik ga niet meer over de gastronomie schrijven, ik ben er mee klaar. Mijn volgende project gaat over Hollywood sterren." Het heeft niet zo mogen zijn, op 2 december 2003 overleed Alan onverwachts. Voor iedereen die zich bezig houdt met de gastronomie is er dus een troost, voor ons was hij klaar. Alle kennis die hij aan ons kwijt wilde heeft hij opgeschreven en deze gaat dus nooit meer verloren.
Wat kan je schrijven ter nagedachtenis aan deze waardevolle, lieve en bijzondere man? Bladzijden vol, over zijn toewijding aan de vis wereldwijd, of zijn inzet om iedereen die waardevolle artikelen schreef de mogelijkheid te bieden om deze te publiceren, dat hij zelf helemaal geen grote kok was, of dat hij vooral zoveel plezier in zijn werkzaamheden had.
Juist doordat hij de Erasmusprijs 2003 heeft gewonnen hebben veel dag- en weekbladen in ons land uitgebreid aandacht aan Alan besteed, er was zelfs een documentaire op de VPRO televisie over hem. Voor de uitreiking zelf was amper media aandacht terwijl het voor Alan een hoogtepunt in zijn leven was. Bij dezen een verslag van die dag.
Het is 5 november 2003, de grote dag dat Alan Davidson in het Paleis op de Dam in Amsterdam de Erasmusprijs 2003 krijgt uitgereikt door ZKH. Prins Bernhard. Samen met diverse ’belangrijke’ personen uit de gastronomische wereld uit binnen- en buitenland, zit ik temidden van ’belangrijke’ niet gastronomen in een zaal van het paleis. Er heerst een vrolijke sfeer, we zijn trots. Het is immers voor het eerst dat iemand die zich verdienstelijk heeft gemaakt binnen de gastronomie een dergelijk grote prijs krijgt.
Dagelijks vragen mensen mij waarom iemand als Alan Davidson de Erasmusprijs verdient. Meestal wordt dat gevraagd door mensen die gewoon iedere dag eten en zich nooit afvragen welke rol eten speelt binnen de verschillende culturen van deze wereld. Eten kan niet los gezien worden van de antropologie, de sociologie, de biologie en de medische wetenschap. Dit nog los van de psychologie en de historie en wat al nog niet meer. Alan Davidson is al ruim 40 jaar hier wel mee bezig. Hij is een van de weinigen en heeft in ieder geval het grootste oeuvre over deze onderwerpen op zijn naam staan. Bovendien is hij er altijd op grote schaal mee naar buiten gekomen. Niet alleen door zijn boeken maar ook bijvoorbeeld door een uitgeverij op te richten die als doel heeft om culinaire meesterwerkjes op de markt te brengen met niet als belangrijkste uitgangspunt: winst! Bovendien is hij de initiator van het Oxford symposium of food wat jaarlijks georganiseerd wordt en waar culi’s uit binnen- en buitenland over de wetenschappelijke kanten van voeding spreken.
Er klinkt een kreet vanachter uit de Paleiszaal en vervolgens staat iedereen op. In een ijzige stilte betreedt Prins Bernhard aan de arm van zijn oudste dochter de zaal. In het gevolg, de oudste kleinzoon en daarachter Alan Davidson met zijn vrouw Jane en de hele familie. De stilte houdt twee minuten aan, de tijd die twee mannen op leeftijd nodig hebben om van de ene kant van de zaal naar de andere te lopen. Het is te stil en ik bedenk dat ze tegenwoordig toch prachtige cd’s verkopen met daarop het blub blub van vissen. Een dergelijk achtergrondgeluid was hier goed op zijn plaats geweest.
De prijs wordt toegekend aan de heer Davidson op de volgende gronden: "Door zijn persoonlijke benadering tot de studie van voedsel, heeft Davidson een breed lezerspubliek bereikt en velen de ogen geopend voor de veelvormigheid van onze eetculturen en het belang van voedselgeschiedenis. Als auteur van uitzonderlijke boeken over vis, paart Alan Davidson wetenschappelijke grondigheid, eruditie en een aanstekelijk enthousiasme aan een heldere schrijfstijl. Samen met zijn echtgenote Jane, heeft Alan Davidson het tijdschrift Petits Propos Culinaires opgericht, een tijdschrift dat uitgegroeid is tot een invloedrijke bron voor de studie van de geschiedenis van voedsel.Met het initiëren, samen met Theodore Zeldin, van het Oxford Symposium on Food, heeft Davidson een internationaal forum geschapen voor zowel professionele als amateur voedselhistorici, en daarmee een sterke stimulans gegeven aan de studie van voedsel in zijn culturele context. Zijn levenswerk is belichaamd in de gezaghebbende Oxford Companion to Food, een degelijk referentiewerk, dat voor jaren de standaard zal zijn. Concluderend: Door zijn werk kan Alan Davidson beschouwd worden als een gangmaker in de opwaardering van voedsel, als een factor van culturele betekenis". Uit het dankwoord van Alan Davidson: "Voedsel is, om een open deur te gebruiken, van fundamenteel belang voor alle mensen en verdient een centrale plaats in het werk van biologen, voedingsdeskundigen, antropologen, sociologen, archeologen, economen en historici, en dan tellen we daarbij nog niet eens de boeren, fruittelers, vissers en de miljarden voor wie koken een dagelijkse activiteit is. Dat deze centrale positie en deze verbindingen dikwijls over het hoofd gezien zijn, weerspiegelt een bekende menselijke neiging, namelijk door de bomen het bos niet meer zien". Het gesproken programma wordt onderbroken door een optreden van de Amerikaanse sopraan Roberta Alexander. Zij zingt onder andere 4 recepten die ooit door Leonard Bernstein op muziek zijn gezet. Het is weer doodstil in de zaal maar nu van ontroering en bewondering. Een nieuwe kant van receptuur, ontdek er een muzikale noot in die weer als partituur gebruikt kan worden. De muzikale mogelijkheden van recepten zijn eindeloos. Geschikt voor opera, musical en kinderen voor kinderen die hun lievelingsgerecht zingen.
Het middagprogramma van deze dag wordt gevuld met lezingen. Gastsprekers zijn: Stephen Mennell, een professor in de sociologie uit Dublin gespecialiseerd in eten. Hij legt de nadruk op veranderende smaken: "Eten wordt door de auteurs objectief benaderd, terwijl het toch vooral gaat over hoe mensen het individueel beleven; Menselijke voorkeur voor eten heeft alles te maken met gewoonte, hoe verander je die gewoonte? Mennel stelt dat eetgewoonten de langzaamst veranderende beweging binnen een cultuur is. Natuurlijk eet men sinds mensenheugenis wat er voor handen is en daar zijn de laatste decennia zoveel producten aan toegevoegd dat je eetgewoonten ook echt niet los kan zien van de technologie. Voor de industriële revolutie was de dagelijkse maaltijd behoorlijk saai. Mennel trekt ook nog een in mijn ogen leuke vergelijking: De alleswetende gastronoom is te vergelijken met de alleswetende politicus, er is echter een groot verschil de gastronoom is niet democratisch gekozen.
De volgende spreekster is Katarzyna Cwiertka zij houdt haar betoog over de culinaire ontmoetingen tussen Oost Azië en Europa. Zij poneert twee opmerkingen over het uitproberen van nieuwe smaken die mij vooral intrigeren: "De mens heeft een natuurlijke drang naar nieuwe dingen, het grote gevaar bij het ontdekken van nieuw eten is de kans op vergiftiging". Pas als een ander de hete aardappel uit het vuur heeft gehaald en een nieuw ingrediënt overleefd heeft kan de rest van de wereld zich er aan wagen. Heeft de eerste held het gegetene niet overleefd dan was hij hoogstwaarschijnlijk ook de laatste die het ooit geproefd heeft. Een ander overduidelijk kenmerk voor het uitproberen van nieuwe smaken is dat mensen graag pochen als ze iets gegeten hebben wat een ander niet kent. - Heb jij nog nooit hangbuikzwijnwangetjes gegeten, nee zeg dat meen je niet -. Laat mij uit betrouwbare bron zeggen dat mensen die met dergelijke uitspraken komen zelden het ook echt gegeten hebben.
De laatste spreekster is onze Nederlandse Anneke van Otterloo. Zij schreef het prachtige boek "Eten en eetlust in Nederland" wat helaas al jaren niet meer verkrijgbaar is. Als historisch sociologe houdt zij zich voornamelijk bezig met de geschiedenis van eetgewoonten. Wat ik nou zo jammer vond aan de hele middag is dat er niemand aan het woord kwam die zich verdiept in de eetgewoonten nu en in de toekomst. Juist iemand als Alan Davidson die zich altijd zo ingezet heeft voor de culturele kanten van de gastronomie had hier geëerd moeten worden met bijvoorbeeld een lezing over de integratie van de verschillende culturen binnen één samenleving door middel van eten.
Het middagprogramma was al met al een beetje stoffig en saai. Er zijn altijd schrikbarend weinig jonge mensen die zich op iets wetenschappelijker niveau met eten bezig houden. De oude garde die dat wel doet valt al snel in herhalingen.
Het sluitstuk van de dag was een diner in het Hilton hotel. Roberto Payer en zijn team hebben het voor elkaar gekregen om alle stof van die middag te doen vergeten. Samen met kinderen van een multiculturele basisschool in Amsterdam werd het diner gekookt naar receptuur die de kinderen ingebracht hadden. Marokkaanse visjes, lamsvlees met couscous en overheerlijke Griekse walnotentaart of Surinaamse vla. Alle landen waren vertegenwoordigd. Doordat de kinderen ook de bediening voor hun rekening namen en het vuurspektakel bij het grand dessert werd het een vrolijk geheel. Alan Davidson zat in het midden aan een ronde tafel en geniet. Dit is wat eten moet zijn, elkaars gerechten proeven en ze vervolgens samen opeten en ervan genieten

Jonah Freud

 

Terug naar boven



Oxford Symposium
Founders
Alan Davidson’s (1924-2003) first book, Mediterranean Seafood, started its life whilst he was in the British Diplomatic Service in the 1960s, and had a distinguished career, culminating in 1975 as H.M. Ambassador to Vientiane. Writing became his second career, and his opus comprised some of the definitive work both on fish and food history. He and his wife, Jane, formerly published an eccentric journal on food history, PPC, three times a year. His magnum opus, The Oxford Companion to Food, was published by the Oxford University Press in the autumn of 1999. Shortly before his death in 2003 the Dutch government awarded him the Erasmus Prize for his contribution to European culture, citing both his written work and his role in founding the Oxford Symposium. At the end of his life Davidson had researched Hollywood screwball comedies of the 1930s and 1940s, with the same enthusiasm he brought to studying the giant catfish of the Mekong.


Terug naar boven

Alan Davidson
De Erasmusprijs 2003 is toegekend aan de Britse auteur en uitgever Alan Davidson. De prijs is op 5 november in Amsterdam aan hem uitgereikt.
De Erasmusprijs wordt jaarlijks toegekend aan een persoon of instelling die een voor Europa buitengewoon belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk gebied.

De Erasmusprijs 2003 staat in het teken van de cultuur en geschiedenis van eetgewoonten. Er heeft in onze tijd een herwaardering van het eten als cultuurgoed plaatsgevonden. De Britse oud-diplomaat Alan Davidson, auteur en expert op het gebied van voedsel en eetcultuur, is daarvan een gangmaker en een exponent. Hij is auteur van opmerkelijke boeken als North Atlantic Seafood en Mediterranean Seafood; zijn magnum opus is The Oxford Companion to Food. Samen met de filosoof Theodore Zeldin is Davidson initiator van het Oxford Symposium of Food History, dat de afgelopen twintig jaar werd georganiseerd voor wetenschappers en publicisten. Hij is met zijn vrouw Jane de oprichter van het tijdschrift Petits Propos Culinaires (1979), met bijdragen over de geschiedenis van ’food’. Met deze initiatieven heeft hij een belangrijk forum geschapen voor de studie van voedsel, voedselgeschiedenis en eetcultuur en heeft hij een gezaghebbende reputatie opgebouwd. Davidson betrekt in zijn werk de eetculturen van andere continenten even uitgebreid als de Europese en zonder eurocentrische vooroordelen. Mede dankzij de uitstraling van zijn werk, dat niet in de eerste plaats een wetenschappelijke doelstelling heeft, is ’food’ ook op de academische kaart gezet.
Iedereen weet hoe belangrijk eten is, maar als aspect van de menselijke cultuur is het toch vaak onderbelicht geweest. Voedselbereiding en eetgewoonten weerspiegelen sociale structuren en relaties. Naast taal en levensbeschouwing of godsdienst is voedsel een onderscheidend ingrediënt van een cultuur. Aan eten worden altijd betekenissen toegekend die de loutere voedingswaarde ver te boven gaan. Weliswaar moet een mens eten om in leven te blijven, maar rond deze behoefte is een rijke, normerende en cultureel bepaalde belevingswereld ontstaan met symbolen, rituelen, taboes en conventies. De studie van eetgewoonten vormt dan ook niet alleen het werkterrein van medici, biologen en marktonderzoekers, maar evengoed van sociologen, antropologen en historici. Binnen de antropologie en de geschiedwetenschap heeft de studie van voedsel en eetculturen zich tot een wijd en zijd beoefend, op zichzelf staand specialisme ontwikkeld. Voor de bestudering van een samenleving vormt het onderzoek naar de maaltijdcultuur een bijzondere ingang. Met de keuze van dit prijsgebied benadrukt de Stichting Praemium Erasmianum het grote belang van de sociale en historische aspecten van onze eetculturen.
Naschrift:
Alan Davidson is op 2 december 2003 op 79-jarige leeftijd overleden.

Terug naar boven




Radio & Televisie


R.A.M Special 6: Alan Davidson
All about fish
zondag 12 oktober 2003 19:50 Ned 3
zaterdag 18 oktober 2003 14:30 Ned 3 (Herhaling)

Als laatste in de reeks van specials maakt R.A.M met de Britse auteur en uitgever Alan Davidson een uitzending over ’de vis.’ Niet alleen de culinaire aspecten komen aan bod, maar ook de vis in de kunst, de ethische kanten van de vis en de visserij, en de vis door de eeuwen heen.
Alan Davidson krijgt dit jaar de Erasmusprijs 2003. De Erasmusprijs wordt jaarlijks toegekend aan een persoon of instelling die een voor Europa buitengewoon belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk gebied. De prijs bestaat uit een geldbedrag van EURO 150.000.

Davidson is historicus en auteur van tientallen boeken over de geschiedenis en de cultuur van het eten. Zijn magnum opus is The Oxford Companion of Food, een uitputtende encyclopedie over de geschiedenis en de cultuur van het eten. Het boek beschrijft zes eeuwen voedsel en eetgewoonten op zes continenten.

Davidson had al een leven als gerespecteerd diplomaat achter de rug - in onder meer Amerika, Egypte, Tunesië en Laos - waar hij ambassadeur was, voordat hij zich als schrijver manifesteerde. Zijn fascinatie met voedsel ontstond toen hij in Tunesië op verzoek van zijn vrouw een boekje schreef over plaatselijke visgerechten. Ze kon op de markt niet wijs worden uit de locale dialectnamen. Dat leidde tot het boek Mediterranean Seafood. Vele boeken volgden waaronder Fish and Fish Dishes of Laos, Seafood of South-east Asia en North Atlantic Seafood.

Davidson reikt in zijn boeken een aantrekkelijke mengeling aan van biologische feiten en wetenschappelijke beschrijvingen, anekdotes en citaten, eigen waarnemingen en recepten. Op de vraag van een journalist welke vis hij zelf het liefste zou willen zijn antwoordde Davidson: ’Oh. Well. Waarschijnlijk een grey mullet (harder). Zoals de Griekse dichter Oppianos heeft vastgesteld: de harder is een van de weinige zeedieren met een schuldloos leven, omdat hij nooit zijn mond bevlekt met het bloed van andere schepsels. Hij is een vegetarieër

Bekijk de aflevering van R.A.M in het VPRO archief

Terug naar boven

 

 

 

  
 
Meer recensies